poëzie: de benenwagen

Wat is nu een cliché – wil je een voorbeeld?
Ooit heeft iemand bedacht dat gewoon zeggen dat ‘iemand gaat lopen’ niet voldoende was, dus nam die iemand ‘de benenwagen’. Best een grappige vondst, als je erover nadenkt, een benenwagen. Dat is, zoals men dat noemt, een sterk poëtisch beeld.

Maar de metafoor is al zo vaak gebruikt dat die benenwagen tot op z’n botjes is versleten. Er komt er geen grappig beeld meer bij het woord benenwagen, behalve bij degenen die dat woord voor het eerst horen. Mensen voor wie het Nederlands niet hun moedertaal is, vinden ‘benenwagen’ natuurlijk een grappig woord als ze het voor het eerst horen. Maar al snel is ‘benenwagen’ ook voor hen gewoon een ander woord geworden voor ‘ergens lopend heen gaan’.

Clichés kunnen heel mooi of grappig zijn, als je ze voor het eerst hoort of over ze nadenkt. Zoals de zon, die een koperen ploert is. Of een meer, dat glad is als een spiegel, gevleugelde woorden, een scherpe tong. Maar ze zijn allemaal al door iemand bedacht. En juist omdat ze zo beeldend waren, werden ze door heel veel mensen steeds maar weer gezegd. Passie, is ook een woord dat geldt als een cliché. Het is een passief woord geworden, zonder werkelijke betekenis. De kunst is niet om een gedicht te schrijven over passie, waarin je het woord passie in elke strofe noemt, nee, de kunst is om een gedicht te maken dat passie verwoordt op een nieuwe manier.

Soms lukt het een dichter om een cliché een nieuw leven te geven door het op een andere manier te gebruiken. Dan heeft het gebruik van een cliché een duidelijke nieuwe waarde.

Maar juist in poëzie kun je zélf een nieuw beeld te bedenken: een hele nieuwe metafoor. Je kan iets op een andere manier laten zien, op jouw manier. Dat is misschien wel het leukste aan poëzie maken.

Clichés in poëzie:
(Eind)rijm in poëzie voelt voor geoefende lezers/ luisteraars van poëzie snel als een cliché (iets dat al zo vaak is gedaan). Want het onderwerp van het gedicht wordt ondergeschikt aan de rijm, en het onderwerp, dat wat de dichter wil, moet, zal, zeggen, is nu juist het belangrijkste van het gedicht. Bovendien is eindrijm al snel ‘dwangrijm’, en dwangrijm klinkt precies zo naar als het woord zelf. Een gedicht lijdt aan dwangrijm als de dichter een woord probeert te laten rijmen op een woord met een andere klemtoon. Zoals: gewóón en klémtoon. Voor het oog (op papier) zouden deze woorden rijmen, want ze eindigen allebei op -oon. Maar toch is dat niet zo (zeg die twee woorden maar eens hardop). Lees een papieren gedicht altijd hardop. Vaak hoor je dan vanzelf of je gedicht stroef is. Dwangrijm is een clichévorm en kan een serieus gedicht zelfs onbedoeld grappig maken. Als je dwangrijm vermijden moeilijk vindt, laat het eindrijm dan even voor wat het is. Zoek in plaats van rijmende woorden naar woorden die goed bij elkaar lijken te passen als je ze hardop zegt.

Bij podium- en performancepoëzie helpt rijm wel om de voordracht vloeiender te maken. Maar alleen rijm is niet genoeg om van een tekst performancepoëzie te maken – uitgesproken moeten de woorden net zo sterk zijn als op papier. Een lezer kan een papieren gedicht meerdere keren lezen en nadenken over de bedoeling van de dichter. Dat kan bij alle geschreven poëzie, of die woorden nu in een boek zijn gedrukt, of op het internet gepost.

“The pen is mightier than the sword, yet even the pen needs something to write upon.” ~ Chuck Bridges

Of poëzie nu ergens op een muur met een spuitbus is geschreven, of getekend in het zand op het strand: je ogen zien de woorden en je hersens vertalen ze in beelden. En als je niet begrijpt wat de dichter je wil laten zien, kun je de woorden lezen en herlezen. Uiteindelijk maken je hersens een beeld bij die woorden (al is het maar: ik snap dit niet).

Dat kan bij een performance dus niet, de woorden lezen of herlezen. Maar met een performance heeft de dichter wel de mogelijkheid om met mimiek en houding, volume en stemgebruik de bedoeling van de woorden te duiden.

Ook dan is dus het belangrijkste: wát wil je zeggen (de inhoud). En vervolgens: hóé wil je het zeggen. Rijm en woordspelingen zijn een middel om tekst vloeiender te maken. Rijm ondersteunt dan de vorm: de voordracht of performance. Een performance van een tekst die alleen bestaat uit rijmende woordspelingen wordt vermoeiend om naar te luisteren. Ook woordspelingen zijn alleen een middel om de inhoud te verpakken. Denk dus goed na over de inhoud, want anders geef je het publiek alleen een verpakking.

Een voordracht of performance moet goed lopen
Dat de tekst vloeit, is belangrijk, maar rijm is daarbij niet het belangrijkste. Op het podium zijn mimiek, houding, volumebeheersing en stemgebruik veel belangrijker dan eindrijm: en juist eindrijm kan een performance zwak maken. Muziek (beats) kan een performance ondersteunen, en dan wordt de grens tussen gedicht en lied vervaagd. Bij poëzie is het metrum de muziek (het ritme). Maar natuurlijk kan muziek, net zoals rijm, poëzie aanvullen en ondersteunen. Sowieso bijten poëzie en muziek elkaar niet:

“Poetry and music are very good friends.
Like mommies and daddies and strawberries and cream
– they go together.” ~Nikki Giovanni

Maar ook dan is muziek voor de poëzie alleen een middel zoals het metrum dat is; en niet de inhoud. Wanneer de tekst ondergeschikt is aan de muziek, wordt poëzie een songtekst, een lied of rap. Dat is natuurlijk niet verkeerd, maar het gedicht is dan onderdeel geworden van een andere discipline. Een dichter kan dus ook zonder muziek een volwaardige performance geven, net zoals een muzikant een geweldig stuk muziek kan maken zonder tekst. Voegen we die twee samen, krijgen we een lied of rap. Veel dichters experimenteren met muziek, of ondersteunen hun tekst met een andere kunstvorm. Er zijn ook dichters die beelden maken bij hun woorden, een schilderij bijvoorbeeld, of een illustratie of foto.
Een goed(lopend) gedicht is een zelfbedachte ‘benenwagen’, die de ontvanger voor zich kan zien door enkel de woorden te lezen of te horen.

Soms kun je voelen (dan krijg je misschien wel kippenvel) dat een tekst in een performance goed ‘loopt’. En zo’n tekst loopt goed zonder dat je een eindrijm hoort, of zelfs zonder dat je rijm in de tekst hoort. Ook woorden die niet met dezelfde letters beginnen of eindigen lijken dan beter bij elkaar te passen dan andere. Dat komt omdat de performer alle middelen op de juiste manier gebruikt.

Waarom maken we metaforen?

Wikipedia zegt: “Een metafoor (van Lat. metaphora: overdracht) is een vorm van beeldspraak, waarbij er sprake is van een impliciete (onuitgesproken) vergelijking. Metaforen ontstaan uit de mentale (cognitieve) behoefte nieuwe inzichten te benoemen vanuit een overeenkomst met het reeds bekende. Met een nieuwe metafoor wordt het oude, bekende, op het nieuwe, onbekende, geprojecteerd en breidt de mens de cognitieve grip op zijn omgeving uit. Bij de overdracht (vertaalslag) van het oude naar het nieuwe begrip is dikwijls sprake van toenemende abstractie.

Ben je er nog? Wikipedia zegt (nogal moeizaam) dus dat de bedoeling van poëzie is: voor jouw onderwerp of thema een ‘benenwagen’ bedenken die nog niemand heeft bedacht, zodat anderen op een nieuwe manier de wereld, het leven, de dood, de mens, het heelal en de rest, kunnen begrijpen met behulp van jouw unieke visie en jouw inzicht. Jouw metafoor verbeeldt hoe jij de wereld ziet. En eigenlijk doet het er dan helemaal niet toe hoe jij die metafoor naar de ander brengt: papier is het podium, het podium is het papier. Of een muur, een strand, een t-shirt. Alles kan je canvas zijn.

Beeld overbrengen
Jij ziet de benenwagen voor je. De volgende stap is het beeld overbrengen op een nieuwe manier. Een geschreven gedicht mag een verborgen benenwagen zijn, waar lezers lang over na kunnen denken, of waarvoor ze het gedicht meerdere malen moeten lezen om jouw gloednieuwe benenwagen voor zich te kunnen zien.

(Een tekst langs het spoor in Urugay. Vertaling: vanaf hier ga ik met je mee)

Een gedicht (of tekst/proza) voor op het podium moet een toegankelijker beeld (de benenwagen in your face) hebben, een die de luisteraar maar één keer hoeft te horen om te begrijpen. Zoals een tekst die je ziet vanuit een rijdende trein je gelijk het bijbehorende beeld kan geven. Podiumpoëzie is dus, veel meer dan papieren poëzie, ‘tekst in beweging’.

En dat hoeft, tra-la-la, niet in een a-a-a-schema. Natuurlijk kun je rijm gebruiken (middel), maar onthoud: het gaat er altijd om dat wát je wilt verbeelden, aankomt bij de luisteraar. En als jouw vorm poëzie is, betekent dat niet dat je woorden verpakt moeten in rijmpjes. Integendeel.

Wanneer je benenwagen loopt (als een zonnetje)
Heel soms, als een gedicht echt goed loopt op het podium, doet het dat ook op papier. Voor elke performer zou het podium een vorm van publicatie moeten zijn, net zoals het papier dat is. Die twee vormen van publicatie (disciplines) kun je zien als steunen voor je gedicht, als twee manieren om poëzie te uiten.

Ga als een trein op elk terrein
Maar let op: want net zoals je gedicht hakkelend voordragen af doet aan de performance en de beleving van het beeld voor de luisteraar, doen spelfouten dat op papier. Een dt-fout in een tekst op papier (of in een post op je facebookpagina) is als stotteren op het podium. Zorg dat je tekst perfect is, want een foutloze tekst is, net als een goedlopend metrum, het middel waarmee je het beeld schetst.

Sublimatie: wat wil je nou eigenlijk zeggen?
Zorg dat je zelf weet wat de sublimatie (de hoofdgedachte) is van het gedicht. Soms begrijp je dat pas lang nadat je het schreef. Het is altijd goed om na te denken over je eigen poëzie. Probeer dat te doen zoals je dat zou doen over een gedicht in performance van een ander dat je raakt. Waarom raakt het je? Is het het onderwerp of juist de onderliggende boodschap? De emotie in de performance? De dichter die daar staat? Misschien ontdek je wel een terugkerend thema in je eigen werk, dat dieper gaat dan het onderwerp dat je wilde aankaarten. Je performance wordt hoe dan ook sterker wanneer je weet wat je wil overbrengen.

Politiek en maatschappelijk engagement in poëzie
Mocht jij al dat gepraat over metaforen maar saai vinden, stel: je schrijft een stuk voor een performance die gaat over een onderwerp dat je na aan het hart ligt. Stel: je ageert in je stuk tegen een -isme, een maatschappelijk onrecht. Wat zou je doen als je wist, dat je wat je schreef, niet zou kunnen zeggen zonder in zware problemen te komen? En niet alleen voor jou problemen, maar ook voor iedereen die naar jou kwam luisteren, en voor je familie, je vrienden … Als je wist dat je halverwege je voordracht van het podium geslagen zou worden en je gage zou bestaan uit een enkele reis strafkamp? Nu heb je een dilemma, want toch wil je opstaan en je stem laten horen. Hoe doe je dat? Hoe doen dichters dat in landen waar censuur realiteit is? Juist, dan gebruik je metaforen.

In deze blinde steeg (fragment)
Ze ruiken aan je mond
of je soms gezegd hebt dat je van me houdt
ze ruiken aan je hart
het zijn vreemde tijden liefste.
In de hoeken van deze kille blinde steeg
voeden ze hun vuren
met liederen en poëzie.
Voorzichtig, denken is gevaarlijk.
Het zijn vreemde tijden, liefste
Wie ’s nachts op de deur klopt
komt om het licht te doven.
We moeten het licht in de kelder verbergen.
Ahmad Shamlu – Opstandige dauw